Veertien dagen na het begin van de oorlog, op 24 mei 1940 werd Dorothea Elisabeth Antonia Godelieve Meertens geboren. Haar roepnaam zou Thea worden. Haar ouders, de beeldende kunstenaars, Albert (1904-1971) en Godelieve Meertens-Van Riet (1920-1970) woonden sinds een jaar in hun nieuwe huis in Berg en Dal, niet ver van de grens. Daarom moest er uitgeweken worden naar Nijmegen waar zij werd geboren. Het echtpaar zou nog drie kinderen krijgen namelijk Godelieve (1941), Miriam (1943) en Frank (1945-2003) Thea die zich vanaf 1970 Dorothee zou noemen, herinnerde zich de dagen en nachten in de aardappelkelder tijdens de gevechten van de geallieerden in de herfst van 1944.
Later werd het gezin geëvacueerd naar Noord-Brabant. De lagere school bezocht ze in Nijmegen bij de nonnen, want ze werd katholiek opgevoed. Dat heeft ze een onprettige tijd gevonden omdat de zusters erg streng waren. Het gevolg was dat ze als kind van tien jaar besloot niet meer te geloven. Ze was een goede leerling, ze las graag en hield van kunsten en mocht naar de MMS, de middelbare meisjesschool. Als oudste kind ging ze elk jaar in de augustusmaand met haar vader mee op kampeervakantie met de fiets naar het nabijgelegen Westfalen en in de latere jaren via Luxemburg naar het noorden van Frankrijk. Haar vader kreeg als beeldhouwer vaak kerkelijke opdrachten en samen bezochten zij bijna elke stad waar zich een belangrijke kathedraal bevond waaronder de stad Reims. Het waren vermoeiende tochten voor haar op de fiets met bagage maar wel leerzaam en inspirerend. Vader en dochter sliepen dan (apart) in jeugdherbergen.
Nadat ze haar schooldiploma had behaald werd
het tijd om verder te studeren. In 1960 behaalde ze het kweekschooldiploma LO tekenen in Den Haag. Dorothee was vast besloten voor de kunsten te gaan en schreef zich in 1960 in op de Academie Kunstoefening in Arnhem waar ze onder meer les kreeg van Pierre Jansen. Daarna volgde de Stadsacademie voor Toegepaste Kunsten in Maastricht waar ze in 1962 cum laude afstudeerde in de vakken tekenen, schilderen en toegepaste kunst. Haar eindexamen studie was een groot gebatikt kamerscherm dat helaas verloren ging toen het te dicht bij een kolenkachel op de academie werd gezet en in brand vloog. Haar leraren en inspirators waren was onder meer: Harry Koolen, Jef Scheffers, Willy Gorissen en Joep Nicolas.
Haar MO tekenen behaalde ze in 1963 bij de Hogeschool voor de
Kunsten, sector Beeldend in Tilburg. Ze vertrok naar Den Haag waar ze lessen volgde (action painting) aan de Vrije Academie onder leiding van George Lampe en Livinus van de Bundt. Dorothee voelde zich vooral verwant en geïnspireerd door het werk van de abstracte landschapschilder Nicolas de Staël. Om in haar onderhoud te voorzien nam ze een baantje aan bij een reclamebureau wat geen succes was en later gaf ze parttime tekenlessen op een middelbare school in Voorburg. Daarna vertrok ze naar Boxmeer waar ze les ging geven op het St. Chrysostomuscollege. Al die jaren was ze kamerbewoner in de stad waar ze studeerde en lesgaf. In september 1964 beëindigde ze haar aanstelling en vertrok naar Kopenhagen als au pair bij een Frans echtpaar, directeur van de zuivelindustrie Danone. Aan tafel werd Frans gesproken en uiteraard ging ze mee op wintersport in Frankrijk. Teruggekomen in 1966 in haar ouderlijk huis in Berg en Dal solliciteerde ze bij het Lodewijk Makeblijde College in Rijswijk (ZH) waar ze als docent werd aangenomen. Na een jaar verlangde ze naar een vaste baan en meer zekerheid.

In de zomer van 1967 viel haar oog op een advertentie in de krant als directiesecretaris van de directeur, H.P. (Henk) Baard, bij het Frans Hals Museum in Haarlem. Haar moeder zei: probeer het maar en na een prettig sollicitatiegesprek werd ze aangenomen. Op 1 september 1967 begon ze als adjunct-commies A met haar werkzaamheden. Dorothee had schik in de nieuwe functie en was al spoedig zeer geliefd bij haar baas en haar collega’s. Na verloop van tijd mocht ze ook rondleidingen geven, vooral aan Franse bezoekers. Op een van die gelegenheden ontmoette ze in 1968 haar toekomstige echtgenoot, Peter Manasse, afkomstig uit Amsterdam en werkzaam bij een uitgeverij. Ze spraken af en dat was het pril begin van een liefdesrelatie die resulteerde in een huwelijk. In de herfst van 1969 nam Dorothee en Peter een optie op een huis in het Nieuw Heiligland 12, om de hoek van het Frans Hals Museum. De Gemeente Haarlem gaf alleen een woonvergunning af als er werd getrouwd. Ze tekenden de verklaring en gingen in ondertrouw op 24 mei 1970 hun beider verjaardag. De trouwdatum volgde op 12 juni 1970 met een receptie in de binnentuin van het Frans Hals Museum onder de klanken van Händels Watermuziek. Het pasgetrouwde stel ging op huwelijksreis naar Albufeira in Portugal, een destijds nog niet door het toerisme ontdekt vissersplaatsje. Bij de huwelijksplechtigheid ontbrak de moeder van Dorothee omdat ze erg ziek was. Ze zou op 2 oktober 1970 op 50-jarige leeftijd overlijden aan borstkanker. Peters moeder was het jaar daarvoor op 19 december op 58-jarige leeftijd plotseling overleden na een beroerte. Voor beiden betekende het een zware schok om het leed te verwerken, maar het betekende dat ze veel steun aan elkaar hadden. Het jaar daarna op 30 november 1971 trof haar opnieuw een verdrietig bericht, haar vader overleed, 67 jaar, na een zware maagoperatie. Het leven van Dorothee ging door en ze richtten het huis in en verbouwden de indeling. In haar vrije tijd werkte Dorothee aan gebatikte kamerschermen en bewerkte sjaals om te verkopen. Al gauw raakte Dorothee ingeburgerd in haar nieuwe buurt, de Heiliglanden. Ze sloot zich aan bij de wijkraad en werd gevraagd om het secretariaat op zich te nemen. Ze stemde toe en wekelijks woonde ze de vergaderingen bij. Ze kreeg hulp van haar man die de afspraken uit tikte op de schrijfmachine. Een drukke en gelukkige tijd brak aan. In Haarlem was er op cultureel gebied veel te doen en Dorothee genoot er van. De jaarlijkse kunstmarkt was daar een voorbeeld van en Dorothee profiteerde daarvan door te exposeren en verkocht enkele doeken. Dat stimuleerde haar om verder in de kunst verder te gaan. Na het pensioneren van haar museumdirecteur, H.P. Baard, werd het volgens haar een saaie boel in het museum. De jaren zeventig van medezeggenschap waren aangebroken. Zijn opvolger, D. (Dick) Couvée, voordien werkzaam als directeur van het Nederlands Persmuseum, was voorstander van een modern museumbeleid, hield van inspraak en gooide het roer om en dat betekende veel vergaderen. Voortaan geen avonden met kaarslicht meer in het gezellige museum. Het moest allemaal efficiënter. Dorothee vond dat de uitstraling en dat het exposeren belangrijker was dan de medezeggenschap over het beleid. Zelf werken aan een oeuvre leek haar het allermooiste. Ze stelde de directie voor om halve dagen te gaan werken, maar dit werd afgewezen. Ze besloot haar baan op te zeggen en haar vrije tijd te besteden aan de Kunst al betekende dat een forse achteruitgang van het gezamenlijk inkomen. Desondanks werd ze zeer door het museumpersoneel gewaardeerd. Als afscheidscadeau ontving ze de drie delen van het standaardwerk over Frans Hals door Seymour Slive en als symbool een paspoort voor haar en haar man voor levenslange toegang. Per 1 oktober 1974 werd haar door de Gemeente Haarlem eervol ontslag verleend.
Ze genoot van de vrijheid die ze had gekregen en bezocht vergaderingen van de Haarlemse kunstenaars en kunstenaarsverenigingen en maakte kennis met haar nieuwe kunst collega’s. Van Corrie Borst, een edelsmid, kreeg ze het verzoek om voorzitter te worden van de groep Twintig in de Hallen die in de jaarlijks van het Frans Hals Museum mochten exposeren in de Vis- en Vleeshal op de Grote Markt. Ze stemde toe mits haar echtgenoot Peter haar zou steunen. Dat was het geval. Dorothee stelde elk jaar een interim-tentoonstellingsbestuur aan en een ballotagecommissie. Uitgangspunt was dat er twintig kunstenaars mochten exposeren maar het aantal werd in de loop van de jaren teruggebracht. In 1986 werd door haar de Stichting Twintig in de Hallen opgericht en beschikte de vereniging over de inkomsten van overheid subsidies. In 2004 besloot het Museum geen ruimte meer beschikbaar te stellen en kwam er een eind aan het exposeren. De stichting bestaat nu nog alleen op papier. Dorothee schreef samen met Peter Manasse de geschiedenis op in het boek: “Een jungle aan stijlen, Haarlemse beeldende Kunstenaars exposeren 1965-2004.”
Reizen speelde een grote rol in het leven van Dorothee. Ze liet zich inspireren door cultuur, natuur en kunst van de landen die zij met haar man bezocht. In de eerste jaren van haar huwelijk gingen ze met de auto naar Frankrijk, soms verder tot Spanje of Portugal. Later per vliegtuig naar Griekenland of Italië. Het was in de tijd dat er nog maar drie weken verlof werd gegeven en afhankelijk was van zijn vakantie. Haar vrije tijd besteedde aan batikken en schilderen. Vanaf de jaren zeventig exposeerde ze regelmatig met haar werk in galeries, op tentoonstellingen en op kunstmarkten. Ze had veel succes met de verkoop, later werd de spoeling dunner door de aanwas van kunstenaars na de opheffing van de Beeldende Kunst regeling en werd het economisch moeilijker voor kunstenaars. In 1975 solliciteerde ze bij de gemeente Haarlem als assistente voor de vernieuwing van het tekenonderwijs op lagere scholen. Ze werd aangenomen en ging voor de gemeente Haarlem parttime werken voor het project, Kunstenaar in de School. Tien jaar lang gaf ze daarna les op diverse scholen in de gemeente.

Een nieuwe uitdaging diende zich aan: Het pand aan het Nieuw Heiligland werd te klein voor alle activiteiten en Dorothee en haar man besloten een andere behuizing te zoeken. Dat was in die tijd niet zo gemakkelijk. Het liefst zou zij in de buurt willen blijven vlak bij het groen van De Hout, maar de huizen in die buurt werden vaak onderhands verkocht. De makelaar bood ons de gelegenheid in te tekenen op nieuwbouw twee onder-een-kap woningen in Aerdenhout. Ze kozen voor een huis met een raam op het noorden wegens het egale daglicht met een grote tuin aan de voor- en achterzijde. Door verkoop van het Haarlemse huis en met een hypotheek kwamen ze in 1985 te wonen aan de Waal Malefijtlaan in Aerdenhout.Het was een hele overgang naar die statige laan en ook wel een beetje saai na al dat stadsrumoer maar Dorothee was dolblij met haar nieuwe grote atelier. Vruchtbare jaren volgden en hun vakanties werden steeds langer vanwege de vrije dagen. Ze reisden door bijna geheel Europa, maar de Algarve in Portugal en Frankrijk bleven een favoriete bestemming.
In 1990 werd Dorothee geopereerd aan haar baarmoeder en een paar jaar later werd borstkanker geconstateerd. Dankzij de snelle ingreep van het Anthonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis herstelde ze volledig van de borst besparende behandelingen. Inmiddels was Dorothee over de vijftig jaar en ze vond dat haar droom, een wereldreis, nu maar moest plaatsvinden. Om alvast reiservaring op te doen monsterde ze aan als betalend passagier op een vrachtschip die havens aandeed in Ierland. In november 1996 reisde ze samen met haar zus Godelieve naar de Oostkust van de VS en vervolgens per vliegtuig en per boot naar de eilanden van Oceanië, daarna naar Nieuw-Zeeland en Bali en eind januari 1997 weer terug naar Europa. Ze kwam enthousiast terug. In 2002 reisde ze een maand met haar vriendin Warda Zetteler naar Vancouver in Canada om vrienden te bezoeken. Alle bezochte bijzondere plekken op aarde inspireerde haar om het op doek vast te leggen.

In het jaar 2000 sloot Dorothee zich aan bij de zojuist opgerichte Kunst Kring Bloemendaal, “Fiore”. Met 28 vrouwelijke leden en 1 man exposeerde de groep jaarlijks “Achter de Zuilen” in het gemeentehuis van Bloemendaal. Na een verbouwing werd de tentoonstellingsruimte opgeheven. Dankzij het initiatief van Corrie en Harry Swaak werd het exposeren voortgezet in het particuliere domein Castellvm Aqvae aan de Hoge Bloemendaalseweg. Dorothee exposeerde elk jaar totdat de kunstenaarsvereniging in 2020 werd opgeheven. In 2005 was haar echtgenoot, Peter, in de gelegenheid een boerenhuis te kopen in de Nièvre, het zuidelijke gedeelte van de Bourgogne. Uiteraard werd dat een nieuwe werkplek voor hem om te schrijven en het diende de jaren daarna ook als vakantiebestemming zij het met hard werken in de grote tuin. In 2010 reisden Dorothee en echtgenoot per auto naar Zweden waar haar nicht Ilse met haar gezin woonde. Het was een leuke en boeiende ervaring.
Dorothee en haar man waren zeer op elkaar ingesteld, maar lieten elkaar ook vrij in het werk, zij schilderen en hij schrijven. De laatste jaren in coronatijd groeiden ze meer naar elkaar toe. Beiden beseften dat ze elkaar nodig hadden. Naast haar artistieke bezigheden was ze thuis een zorgzame vrouw. Ze was intelligent en zeer betrokken bij kunst en cultuur. Dorothee hield van goede kleding en zag er altijd piekfijn uit ook al stond ze voor de schilderezel. In 2020 vierden ze hun vijftig jarig huwelijksfeest. Voor hun huwelijk had ze Peters moeder ontmoet en beloofd goed voor hem te zorgen. De belofte was wederzijds. Op 12 september 2022 werd zij opgenomen in het Spaarne Ziekenhuis in Hoofddorp met ernstige buikklachten. Diezelfde dag werd zij geopereerd, echter in de nacht daaropvolgend, 13 september 2022, overleed zij. Tot het laatst was zij actief bezig geweest met het maken van tekeningen en schilderijen. Ze liet meer dan 150 schilderijen, batiks en tekeningen na en vele ontwerpen.
Dorothee was een evenwichtige persoonlijkheid, Hartelijk, intelligent, onderhoudend en toch bescheiden. Ze wist wat ze wilde en bleef bij haar mening. Ze had veel belangstelling vanuit huis meegekregen voor de Kunsten en bezat kunstzinnig talent, schilderen en tekenen was belangrijk in haar leven. Ook had ze belangstelling voor mode, ze beschikte over een uitgebreide garderobe. Ze was trouw van karakter en koesterde vriendschappen voor het leven. Op haar atelier kon ze zich goed afsluiten van de wereld om haar heen en ik denk dat zij daar een gelukkig mens was al sprak ze dat nooit uit.
Herve Douxchamps: Rubens et ses decendants.[en zijn nakomelingen] Office Generalogique & Heraldique de Belgique. Bruxelles, 1979. Tome II, p. 74.
Peter Manasse: Catalogus Groepstentoonstellingen Twintig in de Hallen, Haarlem, 1977, 1979, 1980, 1982, 1984, 1986.
P.M.J.E. Jacobs. Aktuele Kunst, biografisch handboek. Stichting Studiecentrum voor Beeldende Kunst, Tilburg, 2002. D.E.A.G. Manasse-Meertens. Deel 2, p. 7.
Dorothee Meertens en Peter Manasse: Een jungle aan stijlen. Haarlemse beeldende kunstenaars exposeren, 1965-2004. Stichting Twintig in de Hallen, 2009.
Peter Manasse: Vijftig jaar kunst in Haarlem. Beeldende kunstenaars en hun organisaties, 1950-2000. Stichting Champlemy Pers Amsterdam, 2014.
Bruyn Kops, Floor de. (inleiding). Een Bloemlezing. 12 ½ jaar Fiore Kunst Kring Bloemendaal. p. 36.
Dorothee Manasse-Meertens: Weer een waanzinnige inval! In: Jan Kuys, Oerkracht, inspiratiebronnen van Els Hoekstra. p. 155. Aerdenhout: eigen uitgave 2017.
Jan Aarts en Chris Kooyman: Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland. Amsterdam: De Buitenkant, 2017. p. 578-579.